Beste Liam van Vugt,
Dank u wel voor de aanwijzingen, ik heb er veel aan gehad.
Na het overleg met mijn PWS begeleider leek ons zonsopkomst/-ondergang erbij betrekken het beste. Overigens kunnen variabelen 3 en 4 op deze manier beter geregeld worden (denk ik) en constant blijven. En wat betreft variabele 4, volgens mij is het een principe van 'hoe kleiner de hoek, hoe groter de afstand, hoe vaker Rayleigh-verstrooiing kan plaatsvinden'. Want "blauwe" golflengtes zijn kort en kunnen dan niet ver genoeg reizen.
Daarnaast vond mijn begeleider het belangrijk om te weten of we bij het meten alleen naar de golflengte met de hoogste intensiteit zullen kijken. Eigenlijk of er een soort Planck-kromme zal ontstaan. Alleen zouden mijn verwachte assen niet overeenkomen met het werkelijke stelsel van de kromme.
Maar nog even voor de duidelijkheid, het constant houden van varbiabelen 3 en 4 moet dus in het experiment benoemd worden, niet in de onderzoeksvraag?
Zijn er andere factoren waar ik rekening mee moet houden? Misschien het uit elkaar houden van Rayleigh-/Mie-verstrooiing, gezien aerosolen voornamelijk Mie-verstrooiing veroorzaken?
Ik hoor graag van u. Een fijne avond gewenst.
Met vriendelijke groet,
Joyce